ECLI:NL:HR:2026:1210

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
23/00486
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 Ontgrondingenwet (oud)Art. 225.1 SrArt. 225.2 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen en valsheid in geschrift door rechtspersoon

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over het opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, en valsheid in geschrift. De verdachte beschikte over een ontgrondingsvergunning, maar handelde in strijd met de vergunningsvoorwaarden door buiten het vergunde gebied schelpen te winnen.

De verdediging voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens tekortschieten van de Staat in de handhaving, waardoor de verdachte onbewust jarenlang buiten het vergunde gebied handelde. Daarnaast werden bewijsklachten ingebracht over het opzet en de vraag of het hof terecht oordeelde dat sprake was van bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op illegale winning.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden door late aanlevering van stukken en de lange duur van de procedure, maar dit leidde niet tot een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 50.000.

Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen en valsheid in geschrift blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00486 E
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 7 februari 2023, nummer 21-001626-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 50.000 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.