Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
4.Beslissing
7 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over het opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, en valsheid in geschrift. De verdachte beschikte over een ontgrondingsvergunning, maar handelde in strijd met de vergunningsvoorwaarden door buiten het vergunde gebied schelpen te winnen.
De verdediging voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens tekortschieten van de Staat in de handhaving, waardoor de verdachte onbewust jarenlang buiten het vergunde gebied handelde. Daarnaast werden bewijsklachten ingebracht over het opzet en de vraag of het hof terecht oordeelde dat sprake was van bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op illegale winning.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden door late aanlevering van stukken en de lange duur van de procedure, maar dit leidde niet tot een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 50.000.
Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen en valsheid in geschrift blijft in stand.