ECLI:NL:HR:2026:1211

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
23/00489
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatie in zaak profijtontneming zonder vergunning schelpenwinning

In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit het opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen en valsheid in geschrift. De verdachte, een B.V., was in hoger beroep veroordeeld door het hof Arnhem-Leeuwarden. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de berekeningsmethode.

De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk was om de vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Een belangrijk punt in cassatie was de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden. De Hoge Raad erkent deze overschrijding, maar acht dit niet voldoende reden om het cassatieberoep gegrond te verklaren. In een samenhangende strafzaak wordt de termijnoverschrijding nader beoordeeld op mogelijke compensatie.

Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 7 juli 2026.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00489 P
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 7 februari 2023, nummer 21-000807-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste tot en met het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nummer 23/00486 E, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.