Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
7 juli 2026.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit het opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen en valsheid in geschrift. De verdachte, een B.V., was in hoger beroep veroordeeld door het hof Arnhem-Leeuwarden. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de berekeningsmethode.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk was om de vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Een belangrijk punt in cassatie was de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden. De Hoge Raad erkent deze overschrijding, maar acht dit niet voldoende reden om het cassatieberoep gegrond te verklaren. In een samenhangende strafzaak wordt de termijnoverschrijding nader beoordeeld op mogelijke compensatie.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 7 juli 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.