ECLI:NL:HR:2026:1214

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
24/01327
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 36e lid 2 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toerekening volledige wederrechtelijk verkregen voordeel bij verkoop vervalste merkkleding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door de betrokkene, die bedrijfsmatig vervalste merkkleding en accessoires verkocht, aanbood en in voorraad had.

Het hof had het voordeel volledig aan de betrokkene toegerekend, in plaats van dit pondpondsgewijs te verdelen tussen hem en zijn broer. De Hoge Raad beoordeelde of dit toerekeningsbesluit juist was en oordeelde dat de klachten hierover niet tot vernietiging leiden.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in cassatiefase was overschreden door late verzending van stukken en de lange duur van de procedure. De Hoge Raad achtte dit echter niet reden voor cassatie of andere rechtsgevolgen in deze ontnemingszaak.

Het beroep werd derhalve verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef. De zaak is verbonden met een strafzaak die eveneens in cassatie is en waarin de termijnoverschrijding mogelijk tot compensatie kan leiden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest dat het volledige wederrechtelijk verkregen voordeel aan betrokkene toerekent blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01327 P
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 maart 2024, nummer 20-000941-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nummer 23/02763, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.