Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake medeplegen van de verkoop van harddrugs. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken voor een deel van de tenlastegelegde periode. Het hof had een gevangenisstraf opgelegd.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf, met een voorstel tot vermindering daarvan. De Hoge Raad beoordeelde de klachten van de verdachte, maar vond deze onvoldoende voor vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoefde geen motivering te geven vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor de duur van de straf, stelde deze vast op zeventien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens overschrijding van de redelijke termijn.