ECLI:NL:HR:2026:1223

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
24/03646
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 5a WVW 1994Art. 7.1.b WVW 1994Art. 8.1 WVW 1994Art. 9.2 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste verstekverlening bij inschrijving verdachte in BRP

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor meerdere verkeersovertredingen. Het geschil richtte zich op de vraag of het hof terecht verstek had verleend tegen verdachte die niet op de terechtzitting in hoger beroep verscheen.

De dagvaarding in hoger beroep was rechtsgeldig betekend aan een medewerker van het openbaar ministerie, omdat verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats had. Het hof ging er op de terechtzitting van 1 augustus 2024 van uit dat verdachte niet in de BRP was ingeschreven en verleende verstek. Later bleek uit een informatiestaat dat verdachte op dat moment wel was ingeschreven in de BRP op een adres in Nederland.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat verstek kon worden verleend, omdat het recht van verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht mogelijk is geschonden. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling en beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting wegens onjuiste verstekverlening.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03646
Datum14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 augustus 2024, nummer 21-001144-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F. Visser bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
2.2.1
Uit de stukken volgt onder meer dat:
- de dagvaarding in hoger beroep voor de terechtzitting van 1 augustus 2024 op 17 juni 2024, 22 juni 2024 en 26 juni 2024 tevergeefs is aangeboden op het – in de akte instellen hoger beroep vermelde – adres [a-straat 1] in [plaats] en vervolgens op 4 juli 2024 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en dat op 4 juli 2024 een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar dit adres in [plaats] ;
- de informatiestaten SKDB-persoon van 4 juli 2024 en 29 juli 2024, die aan de dagvaarding in hoger beroep zijn gehecht, inhouden dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij met ingang van 29 augustus 2022 niet is ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP) en dat van hem geen woon- of verblijfplaats bekend is;
- een informatiestaat SKDB-persoon van 20 augustus 2024, die aan de verstekmededeling van het arrest van het hof is gehecht, inhoudt dat de verdachte met ingang van 31 juli 2024 in de BRP is ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats] .
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 augustus 2024 houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:
(...)
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet verschenen.
Hoewel correct opgeroepen, is de raadsman van verdachte, mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht, evenmin ter terechtzitting verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat het onderzoek wordt voortgezet.
(...)
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en doet meteen uitspraak.”
2.3
Als de dagvaarding van de verdachte die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, rechtsgeldig is betekend en de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en zijn raadsman ook niet, kan de rechter – behalve bij duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.33).
De mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als de verdachte na de rechtsgeldige betekening van de dagvaarding aan een medewerker van het openbaar ministerie, maar voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting alsnog in de BRP is ingeschreven, zonder dat dit de rechter bekend was (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3347).
2.4
Het hof heeft met de vermelding in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat de verdachte “zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande” is, kennelijk tot uitdrukking gebracht dat van de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep geen inschrijving in de BRP en ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was. Uit de onder 2.2.1 vermelde informatiestaat SKDB-persoon van 20 augustus 2024 moet echter worden afgeleid dat de verdachte op het moment van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep op 1 augustus 2024 in de BRP al was ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats] . Gelet hierop is het oordeel van het hof dat van de verdachte geen inschrijving in de BRP en ook geen (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was, zodat verstek kon worden verleend tegen de niet-verschenen verdachte en met de behandeling van de zaak kon worden voortgegaan, achteraf bezien onjuist.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.