Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Namens de verdachte werd een schriftuur ingediend door advocaat D. Bektesevic. De advocaat-generaal concludeerde echter tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde dat zij alleen cassatiemiddelen kan onderzoeken die voldoen aan de wettelijke vereisten, namelijk een stellige en duidelijke klacht over schending van rechtsregels of vormvoorschriften. De ingediende schriftuur voldeed niet aan deze vereisten en bleef daarom onbesproken.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de schriftuur niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman was ingediend, zoals vereist in artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kon het cassatieberoep niet in behandeling worden genomen.
De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en sprak dit arrest uit op 14 juli 2026. De uitspraak bevestigt het belang van strikte naleving van procesvoorschriften in cassatieprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening van de schriftuur.