Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klager, een advocaat, cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die zijn klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 jo. 552a Sv niet-ontvankelijk verklaarde. Het klaagschrift betrof beslag onder cliënt op handgeschreven notities en artikelen die volgens de klager onder zijn verschoningsrecht vallen.
De rechtbank behandelde gelijktijdig een tweede klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv Pro, dat ongegrond werd verklaard. De Hoge Raad heeft in een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2026:1230) het cassatieberoep tegen die beschikking verworpen, waardoor onherroepelijk is beslist dat de voorwerpen niet onder het verschoningsrecht van de klager vallen.
Gelet op deze onherroepelijke beslissing kan in de onderhavige procedure geen andere uitkomst meer volgen ten aanzien van de inbeslaggenomen stukken. Hierdoor is het belang van de klager bij het beklag komen te vervallen, zodat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk en laat het cassatiemiddel buiten bespreking. De uitspraak is gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 14 juli 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen belang van de klager.