ECLI:NL:HR:2026:1232

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
26/00065
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.10 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in beklagzaak over beslag onder klager op verschoningsrechtelijke geschriften

In deze zaak heeft de klager beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Limburg inzake een klaagschrift over beslag op handgeschreven notities en artikelen die onder het verschoningsrecht van een advocaat zouden vallen. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere beklagzaak waarin het cassatieberoep van de advocaat van de klager reeds is verworpen, waardoor onherroepelijk is vastgesteld dat de betreffende voorwerpen niet onder het verschoningsrecht vallen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep van de klager niet-ontvankelijk is omdat de klager geen belang meer heeft bij het beroep nu het verschoningsrecht reeds definitief is beoordeeld in de eerdere zaak. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing bevestigt dat in procedures over het verschoningsrecht het onherroepelijke oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde als uitgangspunt geldt, en dat derden die niet verschoningsgerechtigd zijn geen zelfstandig belang hebben om in cassatie te gaan tegen beslag op dergelijke voorwerpen.

De beschikking is uitgesproken door de raadsheren Van Strien, Kuijer en Trotman op 14 juli 2026.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de klager wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschoningsrecht reeds onherroepelijk is beoordeeld in een eerdere beklagprocedure.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer26/00065 Br
Datum14 juli 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 12 augustus 2025, nummer RK 25/013283, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft bij zijn beschikking van vandaag in de beklagzaak van [naam 1] (25/04301 Bv, ECLI:NL:HR:2026:1230) het cassatieberoep verworpen, waardoor in die zaak onherroepelijk is beslist. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling kan nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.1 en 3.2. (Vgl. HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:565, rechtsoverweging 2.4.1 en 2.4.2.)

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.