Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging wegens poging tot doodslag en het dragen van een wapen. De feiten speelden zich af in 2022 in Amsterdam, waarbij de verdachte zijn ex-partner meerdere keren met een sok met daarin een jeu de boules-bal sloeg.
Het hof oordeelde dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar was op grond van artikel 39 Sr Pro, waardoor de strafuitsluitingsgrond van toepassing was. Tevens werd een maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging opgelegd. Het verzoek van de verdachte om nieuw psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek werd door het hof afgewezen wegens gebrek aan noodzaak.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De klachten tegen het hof zijn niet ontvankelijk voor vernietiging en de Hoge Raad ziet geen aanleiding tot nadere motivering. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, maar verbindt hieraan geen rechtsgevolgen vanwege de aard van de opgelegde maatregel.
De uitspraak bevestigt het ontslag van rechtsvervolging en de oplegging van TBS met dwangverpleging, waarmee de procedure wordt afgesloten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het ontslag van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en de oplegging van TBS met dwangverpleging.