Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor het bezit en de handel in cocaïne, heroïne en speed, alsmede voor eenvoudig witwassen en onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen medicijnen.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar alleen met betrekking tot de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad oordeelde dat de overige klachten niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.
Het tweede cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot de straf met acht maanden te verminderen.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor de strafmaat en stelde de gevangenisstraf vast op zeven maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot zeven maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.