ECLI:NL:HR:2026:1245

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/00155
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie in het belang der wet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep naheffingsaanslag Curaçao wegens vertrouwensbeginsel

In deze zaak is aan een naamloze vennootschap (NV) een naheffingsaanslag winstbelasting over 2013 opgelegd. De NV maakte bezwaar tegen deze aanslag, waarna beroep werd ingesteld bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. Dit gerecht verklaarde het beroep gegrond wegens niet-tijdig beslissen, maar wees het bezwaar inhoudelijk af. De NV stelde vervolgens hoger beroep in, dat het Hof niet-ontvankelijk verklaarde omdat de NV geen belang meer zou hebben vanwege het vertrouwensbeginsel dat invordering in de weg zou staan.

De NV baseerde dit op uitlatingen van de Minister van Financiën van Curaçao op diens privé-Facebookpagina, waarin werd aangekondigd dat aanslagen over 2017 en oudere jaren zouden worden gecanceld. De naheffingsaanslag stond aanvankelijk afgeboekt op het debiteurenoverzicht, maar later weer teruggeboekt. De Minister stelde later uitzonderingen op het opschoningsbeleid, waaronder voor grote belastingschulden met verhaalsmogelijkheden, waaronder de schuld van de NV.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De afboeking van de aanslag door de ontvanger is geen ondubbelzinnige verklaring dat invordering niet meer zal plaatsvinden. Het vertrouwensbeginsel kan niet door de belastingrechter worden beoordeeld, maar behoort tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof in het belang der wet zonder nadelige gevolgen voor partijen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk had mogen worden verklaard wegens gebrek aan belang op grond van het vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/00155
Datum10 juli 2026
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet van Advocaat-Generaal P.J. Wattel namens de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 10 augustus 2023, nr. CUR2022H00249 [1] .

1.Het geding in feitelijke instanties

1.1
Aan de belastingplichtige in deze zaak, een naamloze vennootschap (hierna: de NV), is een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2013 (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd. De NV heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt en vervolgens, omdat de Inspecteur niet tijdig op het bezwaar had beslist, beroep ingesteld bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. Het Gerecht heeft het beroep wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar gegrond verklaard en het bezwaar van de NV tegen de naheffingsaanslag bij uitspraak van 26 juli 2022 ongegrond verklaard. De NV heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
1.2
In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat de NV niet langer een belang had bij een beoordeling van de naheffingsaanslag. Het Hof heeft het hoger beroep van de NV om die reden bij uitspraak van 10 augustus 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
De uitspraak van het Hof is onherroepelijk geworden.

2.Beroep in cassatie in het belang der wet

Op 28 maart 2025 heeft Advocaat-Generaal P.J. Wattel tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld. [2] De vordering strekt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, zonder dat het te wijzen arrest nadeel toebrengt aan de rechten die door partijen zijn verkregen.

3.Waar het in deze zaak om gaat

3.1
In deze zaak gaat het om de vraag of het Hof als belastingrechter bevoegd was om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang op de grond dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan invordering van de naheffingsaanslag door de ontvanger. Die niet-ontvankelijkverklaring was overeenkomstig het standpunt van de NV, die zich daartoe heeft beroepen op door de Minister van Financiën van Curaçao (hierna: de Minister) gedane uitlatingen.
3.2
Die uitlatingen zijn gedaan in berichten die de Minister op 28 en 29 januari 2023, dus na de hiervoor in 1.1 bedoelde uitspraak van het Gerecht, op zijn privé-Facebookpagina heeft geplaatst (hierna: de Facebookberichten). [3] Zij houden in dat het debiteurenbestand van de ontvanger wordt opgeschoond en dat daarom belastingschulden en/of aanslagen die betrekking hebben op 2017 en oudere belastingjaren, worden ‘gecanceld’ (‘kansela’). De Minister heeft daarbij vermeld dat belastingschuldigen een debiteurenoverzicht kunnen opvragen bij de ontvanger om te controleren of de opschoning correct heeft plaatsgevonden. In krantenberichten, waaraan ook in de Facebookberichten wordt gerefereerd, zijn vergelijkbare mededelingen gedaan. [4]
3.3
De NV heeft desgevraagd van de ontvanger debiteurenoverzichten ontvangen. Op het debiteurenoverzicht van 30 januari 2023 staat de naheffingsaanslag vermeld als totaal afgeboekt, en is onder openstaand bedrag vermeld “0.00”. Op latere overzichten, zoals dat van 17 mei 2023, staat de naheffingsaanslag niet meer vermeld.
3.4
Bij persbericht van 3 april 2023 getiteld “Aanpassing invorderingsbeleid belastingdienst” heeft de Minister medegedeeld dat aanslagen over 2017 en oudere belastingjaren in een drietal situaties toch zullen worden ingevorderd. [5] Eén daarvan is de situatie waarin de aanslag een belastingschuld betreft van (in totaal) NAf 1 miljoen of hoger en ter zake waarvan de Belastingdienst over informatie beschikt waaruit blijkt dat er verhaalsmogelijkheden zijn. Vast staat dat het in het geval van de NV gaat om een belastingschuld van meer dan NAf 1 miljoen.
3.5
De ontvanger heeft, onder verwijzing naar het persbericht van 3 april 2023, aan de Inspecteur medegedeeld dat de aan de NV opgelegde naheffingsaanslag voor het oorspronkelijke bedrag in het debiteurenbestand is teruggeboekt.
3.6
Het Hof heeft geoordeeld dat de NV uit de niet voor meerdere uitleg vatbare, zonder voorbehoud gedane uitlatingen van de Minister, die in meerdere Facebook- en krantenberichten zijn herhaald, in de gegeven omstandigheden, waarbij de onderhavige naheffingsaanslag – in ieder geval – al op 30 januari 2023 is afgeboekt en vervolgens niet meer voorkomt op de door de ontvanger opgemaakte en verstrekte debiteurenlijst, redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de ontvanger de naheffingsaanslag niet meer kan en zal invorderen. Daaraan doet volgens het Hof niet af de hiervoor in 3.4 weergegeven mededeling van de Minister dat drie uitzonderingen zijn geformuleerd op het ongeclausuleerde invorderingsbeleid en evenmin dat de NV onder de hiervoor in 3.4 weergegeven uitzondering valt.

4.Beoordeling van de middelen

4.1.1
Middel 1 houdt in dat het Hof als belastingrechter zich ten onrechte bevoegd heeft geacht te beoordelen of de NV in een executiegeschil met de ontvanger voor de burgerlijke rechter met succes een beroep op – door die burgerlijke restrechter – te honoreren vertrouwen op de Facebookberichten van de Minister zou kunnen doen, en zich ten onrechte niet heeft beperkt tot beoordeling van de rechtmatigheid van de titel voor invordering, te weten de naheffingsaanslag die in geschil was.
4.1.2
Middel 2 houdt in dat het Hof ten onrechte het beroep van de NV dat zij mocht vertrouwen op de Facebookberichten heeft gehonoreerd en daarom ten onrechte het hoger beroep van de NV niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens gebrek aan belang.
4.2
Een (hoger) beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel daarbij geen belang (meer) heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. [6] Dit kan zich voordoen in de situatie waarin in (hoger) beroep een beslissing over de hoogte van een belastingaanslag wordt gevraagd, terwijl in de (hoger)beroepsprocedure door de ontvanger dan wel door de inspecteur in overleg met de ontvanger uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is verklaard dat invordering van de op grond van die aanslag verschuldigde belastingschuld niet (meer) zal plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat het recht op dwanginvordering van die belastingschuld is verjaard. [7] In zo’n situatie staat immers vast dat invordering niet meer aan de orde kan komen.
4.3.1
Een dergelijke situatie doet zich in dit geval evenwel niet voor. De hiervoor in 3.3 vermelde omstandigheid dat de ontvanger de naheffingsaanslag aanvankelijk had afgeboekt, kan niet worden aangemerkt als een verklaring als hiervoor in 4.2 bedoeld dat invordering van de uit de naheffingsaanslag voortvloeiende belastingschuld niet (meer) zal plaatsvinden. Evenmin is voor het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat de ontvanger het door de NV – in verband met haar stelling dat zij geen procesbelang heeft – gedane beroep op het vertrouwensbeginsel onderschrijft en daarom niet tot invordering zal overgaan.
4.3.2
Beantwoording van de vraag of invordering van de belastingschuld niet meer kan plaatsvinden omdat het vertrouwensbeginsel daaraan in de weg staat, vergt een onderzoek waarin de ontvanger als procespartij moet worden betrokken. Dat onderzoek naar de bevoegdheid van de ontvanger om – in de hiervoor in 3.1 tot en met 3.5 omschreven omstandigheden – jegens de NV over te gaan tot (dwang)invordering, kan niet door de belastingrechter worden verricht, maar uitsluitend door de burgerlijke rechter.
4.3.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.1 en 4.3.2 is overwogen, had het Hof het hoger beroep niet op de grond dat de NV geen belang heeft als hiervoor in 4.2 bedoeld, niet-ontvankelijk mogen verklaren. Middel 1 slaagt.
4.4
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen, behoeft middel 2 geen behandeling.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt, in het belang der wet, de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en
- verstaat dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.

Voetnoten

3.Zie onderdeel 2.7 van de vordering van de Advocaat-Generaal.
4.Zie onderdeel 2.8 van de vordering van de Advocaat-Generaal.
5.Zie onderdeel 2.10 van de vordering van de Advocaat-Generaal.
6.Vgl. HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844, rechtsoverweging 2.3.2.
7.Vgl. HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1876, rechtsoverwegingen 4.1.2 en 3.3, laatste volzin, gelezen in samenhang met rechtsoverweging 4.23 van de uitspraak van het gerechtshof bij dat arrest.