Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 juli 2026.
Hoge Raad
Partijen zijn in 2019 in Marokko gehuwd. De vrouw, met de Marokkaanse nationaliteit, verblijft momenteel zonder geldige verblijfsvergunning in Nederland, nadat haar vergunning per 24 februari 2023 is ingetrokken. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen deze intrekking en een aanvraag voor verblijf om humanitaire redenen ingediend, welke is afgewezen. De vrouw mag de behandeling van haar bezwaarschrift in Nederland afwachten.
De rechtbank sprak de echtscheiding uit en wees het verzoek van de vrouw om partneralimentatie af. Het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de echtscheiding en bekrachtigde de rest van de beschikking. Het hof oordeelde dat de vrouw, ondanks het ontbreken van een verblijfsvergunning en het verbod om in Nederland te werken, geacht wordt in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien, onder meer door inkomsten in Marokko te verwerven.
De vrouw stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof over haar behoeftigheid. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onbegrijpelijke leemte heeft gelaten door niet te motiveren hoe de vrouw in haar onderhoud kan voorzien zolang zij in Nederland verblijft en niet mag werken. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.