Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr Pro. (Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102.)
(i) De juridische aard van de beide tenlastegelegde feiten is grotendeels hetzelfde, maar er bestaan twee belangrijke verschillen. Ten eerste, het openbaar ministerie heeft in de zaak 26Sartell de tenlastelegging kennelijk mede – dat wil zeggen: wat betreft de daarin genoemde Opiumwetdelicten – toegesneden op artikel 11b Opiumwet, zodat de in die zaak tenlastegelegde criminele organisatie een naar zijn aard andersoortige criminele organisatie is dan de in de zaak 26Douglasville tenlastegelegde criminele organisatie. Daarnaast is er, gelet op de strafmaxima die op de feiten zijn gesteld, een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties.
(ii) Wat betreft de aard van de tenlastegelegde gedragingen is allereerst van belang dat de criminele organisatie in de zaak 26Sartell volgens de tenlastelegging een organisatie betreft die het plegen van (gewoonte)witwassen en Opiumwetdelicten tot oogmerk had, terwijl de tenlastelegging in de zaak 26Douglasville een organisatie betreft die het plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en het voorhanden hebben van vuurwapens tot oogmerk heeft. Daarin komt – in de aan het hof voorbehouden uitleg van de tenlastelegging – als de bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging tot uitdrukking dat in de zaak 26Douglasville aan de verdachte deelneming aan een andersoortige criminele organisatie wordt verweten dan de criminele organisatie in de zaak 26Sartell.
(iii) Daarnaast is wat betreft de aard van de tenlastegelegde gedragingen van belang dat de tenlastegelegde periodes, de pleegplaatsen en de groep van deelnemers van de tenlastegelegde criminele organisatie aanzienlijk verschillen. Deze verschillen moeten daarbij worden gezien tegen de achtergrond van de omstandigheden zoals die uit het onderzoek naar voren komen en die de inhoud van de onderscheiden tenlasteleggingen hebben bepaald. Deze omstandigheden houden in dat aanvankelijk sprake was van een criminele organisatie die zich uitsluitend bezighield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne en het witwassen van de inkomsten die daaruit voortvloeiden en dat het oogmerk van die organisatie alleen daarop was gericht (de organisatie waarop de zaak 26Sartell betrekking had). Door twee bijzondere omstandigheden, te weten de diefstal van miljoenen aan drugsinkomsten en de liquidatie van één van de leden, is de organisatie “het vizier gaan verleggen” en is deze zich ook gaan bezighouden met (de voorbereiding van) geweldsdelicten. Dit leverde een nieuw oogmerk op en daarmee samenhangend wezenlijk andere gedragingen van de organisatie en haar deelnemers, onder wie de verdachte. Die gedragingen vonden plaats in een veel beperktere periode en met een grote groep andere deelnemers.
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
30 januari 2026.