Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van het kraken van het gebouw van de Egyptische zending in Den Haag. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250 opgelegd, subsidiair vijf dagen hechtenis.
De Hoge Raad heeft de motiveringsklachten van de verdachte tegen het oordeel van het hof over de onrechtmatige ontruiming en de toepassing van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 8 EVRM Pro) en het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (art. 22.2) beoordeeld. Tevens werd het verzoek van de verdachte om het 'kraakdossier' bij de processtukken te voegen afgewezen.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig is om de motivering nader toe te lichten vanwege het ontbreken van belang voor de rechtsontwikkeling. Hoewel de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om dit te verbinden aan een ander rechtsgevolg dan de constatering daarvan.
Het beroep wordt derhalve verworpen en de opgelegde straf blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 250 blijft gehandhaafd.