Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voor medeplegen van het wederrechtelijk verblijven op en zich toegang verschaffen tot een haventerrein door inklimming, strafbaar gesteld in artikel 138aa Sr. Het hof week af van het uitgangspunt dat first offenders een taakstraf met voorwaardelijke gevangenisstraf krijgen, omdat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had, waardoor het risico op onttrekking aan taakstraf groot zou zijn.
Tijdens de terechtzitting gaf de verdachte aan in Nederland te willen verblijven en stelde zijn raadsvrouw een taakstraf voor, met haar kantooradres als contactpunt voor de reclassering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend was, gezien deze omstandigheden.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.