ECLI:NL:HR:2026:1262

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
24/02957
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138aa SrArt. 55 SrArt. 359 lid 6 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens onvoldoende motivering bij medeplegen wederrechtelijk verblijf haventerrein

De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voor medeplegen van het wederrechtelijk verblijven op en zich toegang verschaffen tot een haventerrein door inklimming, strafbaar gesteld in artikel 138aa Sr. Het hof week af van het uitgangspunt dat first offenders een taakstraf met voorwaardelijke gevangenisstraf krijgen, omdat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had, waardoor het risico op onttrekking aan taakstraf groot zou zijn.

Tijdens de terechtzitting gaf de verdachte aan in Nederland te willen verblijven en stelde zijn raadsvrouw een taakstraf voor, met haar kantooradres als contactpunt voor de reclassering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend was, gezien deze omstandigheden.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02957
Datum14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 juli 2024, nummer 22-000267-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat O.J. Much bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het opleggen van een vrijheidsbenemende straf ontoereikend heeft gemotiveerd.
2.2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
(...)
De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft op de straf te zwaar te achten.
(...)
De verdachte legt op vragen van de voorzitter over zijn persoonlijke omstandigheden een verklaring af, inhoudende:
Ik ben al 5 á 6 jaar in Nederland. Op dit moment woon ik in [stad in Belgie] . Ik verblijf daar een paar maanden bij mijn familie en dan ga ik terug naar Nederland. Ik help daar soms mijn oom met schoonmaken. Mijn vriendin woont in [plaats] . Ik wil graag in Nederland blijven wonen.
U houdt mij voor dat u alleen beschikt over de gegevens van mijn adres in Macedonië. U vraagt mij of ik daar mijn post wil ontvangen. Ja, dat wil ik.
(...)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging:
De politierechter heeft een forse gevangenisstraf opgelegd aan de verdachte. Door verdachten in dergelijke zaken zwaar te straffen, zullen de beloningen die zij ontvangen voor het plegen van dergelijke delicten ook toenemen, wat weer zal leiden tot een toename in de hoeveelheid gepleegde delicten.
Mijn cliënt heeft spijt betuigd. Ik heb bij de politierechter aangevoerd dat hij niet altijd alles even goed begrijpt en makkelijk beïnvloedbaar is. Er werd aan hem gevraagd mee te gaan naar de haven en dat leek hem spannend. Verder wil ik nog opmerken dat er niks is gevonden op de telefoon van de verdachte.
Ik verzoek uw hof om de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf te matigen en mijn cliënt in de gelegenheid te stellen om een taakstraf uit te voeren. Mijn kantooradres kan door de reclassering dan gebruikt worden om mijn cliënt te bereiken.
De advocaat-generaal voert het woord tot repliek:
(...)
Wat betreft het opleggen van een taakstraf: dit zal een lastig verhaal worden. De verdachte verblijft momenteel in België en is de Nederlandse taal niet machtig. Wij beschikken niet over een verblijfsadres van de verdachte in Nederland. Een taakstraf zal om die reden onpraktisch en onuitvoerbaar zijn.
De raadsvrouw voert het woord tot dupliek:
Mijn cliënt wil liever niet de adresgegevens geven van zijn vriendin. Hij heeft steeds gewerkt via uitzendbureaus en doet dat nu nog steeds. Hij wil zich graag vestigen in Nederland.”
2.2.2
Het hof heeft de verdachte voor, kort gezegd, het zich samen met anderen door inklimming toegang verschaffen tot een besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen (zoals strafbaar gesteld in artikel 138aa van het Wetboek van Strafrecht) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zich wederrechtelijk begeven op en het zich de toegang verschaffen tot het haventerrein van [A] als bedoeld in artikel 138aa Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit zijn strafbare feiten die veel hinder en schade veroorzaken bij deze containerterminal en bij andere havenbedrijven. Zo komen bijvoorbeeld werkzaamheden vaak tijdelijk stil te liggen als indringers zijn gesignaleerd en moeten de douane en havenbedrijven veel investeringen doen om het terrein te controleren en te beveiligen. Ook is het een schending van de openbare orde. Het zich ophouden op een haventerrein gebeurt veelal met het doel om drugs uit containers te halen en is daarmee een onmisbare schakel in de keten rond de invoer en verdere verspreiding van drugs en heeft daarmee een ontwrichtende invloed op de samenleving.
Het hof is van oordeel dat met betrekking tot beide feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr en houdt daar in het voordeel van verdachte rekening mee. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.
Bij het bepalen van de (hoogte van de) straf verwijst het hof naar de algemene lijn die in recente jurisprudentie rond artikel 138aa Sr is uitgezet. In beginsel is de oplegging van een taakstraf voor de duur van 90 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden aangewezen voor zogeheten first offenders. De duur van die taakstraf kan oplopen tot 160 uren, afhankelijk van de vraag of sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zoals medeplegen en/of inklimming/braak. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan van dit uitgangspunt worden afgeweken (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHDHA:2022:985, herhaald en nader genuanceerd in onder meer ECLI:NL:GHDHA:2023:461 en ECLI:NL:GHDHA:2023:1818).
Van de verdachte in deze zaak is geen vaste woon- of verblijfplaats bekend in Nederland. Dit maakt dat de kans dat de verdachte zich zal onttrekken aan het uitvoeren van een eventueel op te leggen taakstraf, aanzienlijk is en een voorwaardelijke gevangenisstraf weinig zinvol lijkt. Het hof zal daarom afwijken van het hierboven aangehaalde uitgangspunt.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 juni 2024.
Conclusie
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”
2.3
Het hof heeft overwogen dat het bij de strafoplegging afwijkt van het uitgangspunt dat voor een feit zoals het bewezenverklaarde aan een first offender een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Daaraan heeft het hof enkel ten grondslag gelegd dat de omstandigheid dat van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, maakt dat de kans dat hij zich zal onttrekken aan het uitvoeren van een taakstraf aanzienlijk is en een voorwaardelijke gevangenisstraf weinig zinvol lijkt.
2.4
Gelet op de mededelingen van de op de terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte over zijn voornemen om in Nederland te verblijven, het door de raadsvrouw van de verdachte gedane verzoek om hem een taakstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en het opgeven van het kantooradres van de raadsvrouw als adres waarop de reclassering de verdachte voor de uitvoering van een taakstraf zal kunnen bereiken, heeft het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ontoereikend gemotiveerd. De strafmotivering voldoet daarmee niet aan de op grond van artikel 359 lid 6 Sv Pro te stellen eisen.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.