ECLI:NL:HR:2026:1263

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
24/03133
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 6:106 BWArt. 36f SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering immateriële schadevergoeding bij bedreiging

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade wegens bewezenverklaarde bedreiging was toegewezen tot € 500, vermeerderd met wettelijke rente. De benadeelde partij had psychische schade ondervonden, waaronder stress, angst en een depressie, waarvoor zij psychologische behandeling onderging.

De verdediging betwistte de vordering gemotiveerd en stelde onder meer dat de benadeelde partij enige mate van eigen schuld had door zelf de confrontatie te zoeken. Het hof kende de vordering integraal toe, maar gaf onvoldoende motivering op welke grondslag uit artikel 6:106 BW Pro dit was gebaseerd.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd was, mede omdat niet duidelijk was op welke grond en omstandigheden de toewijzing was gebaseerd. Hierdoor kon ook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de vordering en maatregel betrof en wees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

De overige klachten werden verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 14 juli 2026.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over immateriële schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel wegens onvoldoende motivering en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03133
Datum14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juli 2024, nummer 21-004305-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde de zaak enkel ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel opnieuw te berechten en af te doen, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel wegens het onder 1 bewezenverklaarde.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 5 mei 2022 te [plaats] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door “sorry zeggen anders gaat het pijn doen” en door een gasdrukgeweer op die [benadeelde] te richten.”
3.3.1
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Het bij dat verzoek gevoegde Schade-onderbouwingsformulier houdt onder meer in:
“Psychische gevolgen
Het gebeuren heeft een grote impact op het leven van benadeelde. Hij ervaart hierdoor stress, angst, en herbelevingen.
De nacht na het incident had benadeelde een nachtmerrie, benadeelde heeft normaal gesproken nooit last van nachtmerries. Hij is alert geworden in zijn dagelijkse leven en schrikt elke keer als hij dezelfde auto als verdachte voorbij ziet rijden.
Verdachte is erachter gekomen hoe benadeelde heet en heeft contact opgezocht met de werkgevers van benadeelde. Dat heeft ervoor gezorgd dat 1 van zijn werkgevers het contract opgezegd heeft. Benadeelde vindt dat heel vervelend en ook beangstigend. Vooral omdat benadeelde niet weet hoe verdachte aan deze informatie gekomen is.
Benadeelde hield zich groot na het incident maar sinds een paar weken lukt dat niet meer en gaat het niet goed met hem. Benadeelde loopt sinds 15 mei 2022 bij een psycholoog en er is een depressie geconstateerd. Hij heeft tot op heden elke week 1 sessie bij de psycholoog. In totaal heeft benadeelde 18 sessie achter de rug.
Benadeelde hoopt na de zitting rustig verder te gaan met zijn leven en deze gebeurtenis een plekje te geven.
Bijlage 2: verklaring psycholoog GGZ portaal
Immateriële schade
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
Bedreiging
Benadeelde maakt aanspraak op vergoeding van de geleden immateriële schade, omdat in artikel 6:106 sub a BW Pro wordt gesproken over ‘het oogmerk zodanig nadeel toebrengen’. Uit het strafdossier blijkt dat verdachte met het uiten van de bedreiging zowel de bedoeling had (het oogmerk) om benadeelde vrees aan te jagen als het oogmerk om benadeelde immateriële schade toe te brengen. Benadeelde gebruikte een gasdrukgeweer om zijn bedreiging kracht bij te zetten. Hierdoor had benadeelde de angst dat verdachte daadwerkelijk van plan was om zijn bedreiging uit te voeren.
(...)
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in billijkheid is te stellen op € 500,00 en thans opeisbaar is.
Totale immateriële schade € 500,00”
3.3.2
De bij het verzoek gevoegde bijlage 2 houdt onder meer in:
“Bijlage 2: verklaring psycholoog GGZ portaal
(...)
Vorige week incident met iemand op de weg, de ander trok uiteindelijk wapen, zette dit op zijn hoofd, toen wel bang maar daarna heel erg boos, is dit nog steeds. En sindsdien is hij ook erg alert en heeft hij een korter lontje. Slaapt ook slecht.
Kan niet normaal met agressie omgaan.
Zorgmelding gemaakt bij politie over pt.”
3.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“29. Aangezien de verdediging vrijspraak heeft bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde verzoekt de verdediging Uw Hof om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
30. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering ter hoogte van € 500,-- onvoldoende is onderbouwd en om die reden eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel afgewezen. De benadeelde partij heeft zelf de eerste confrontatie met cliënt opgezocht en zodoende is er wat de verdediging betreft sprake van enige mate van eigen schuld waardoor de vordering op z’n minst genomen gematigd zou moeten worden.”
3.5
Het hof heeft over de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij onder meer overwogen:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 500,00. De vordering is door de politierechter toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
(...)
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak ter zake feit 1 en vanwege een gebrekkige onderbouwing van de vordering. Subsidiair is verzocht om het gevorderde bedrag te matigen, nu sprake zou zijn van enige mate van eigen schuld van de benadeelde partij door zelf eerst de confrontatie te zoeken.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering integraal zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.”
3.6
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”
3.7
Het hof heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij als gevolg van de onder 1 bewezenverklaarde bedreiging toegewezen tot een bedrag van € 500, vermeerderd met de wettelijke rente. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens de verdachte gemotiveerd is betwist. Daarbij is van belang dat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW Pro vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd (vgl. HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822).
Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).
3.8
Het cassatiemiddel slaagt.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.