Uitspraak
1.Procesverloop bij de Hoge Raad
2.De prejudiciële vragen
3.Feitelijke context
4.Juridisch kader
5.Beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen
Tegen die achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat de verwijzing naar artikel 225 Sr Pro in artikel 4, aanhef en onder d, Sr, overeenkomstig de inhoud van het daarvoor geldende artikel 4, aanhef en onder 4°, (oud) Sr, betrekking heeft op de valsheid van specifieke, door een overheidsinstelling uitgegeven geschriften die op zichzelf een zekere economische waarde vertegenwoordigen, zoals de in die oude bepaling opgesomde “schuldbrieven of certificaten van schuld van de Nederlandse staat of van een Nederlandse provincie, gemeente of openbare instelling, de talons, dividend- en rentebewijzen tot deze stukken behorende, en de bewijzen, uitgegeven in plaats van deze stukken”. De alleen in dit onderdeel d van artikel 4 Sr Pro opgenomen beperking tot uitsluitend die gevallen waarin het valsheidsdelict “is gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling” moet daarom in die beperkte zin worden verstaan.
6.Beslissing
14 juli 2026.