2.1In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Fairstar richt zich op het zeevervoer van grote vrachten voor de offshore en onshore energie- en infrastructuurindustrie.
(ii) In de voor dit geschil relevante periode werd het bestuur van Fairstar gevormd door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) als CEO en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]; samen met [betrokkene 1] hierna: [bestuurders]) als COO. De raad van commissarissen (hierna: rvc) van Fairstar bestond in deze periode onder meer uit [erflater] (hierna: [erflater]) als voorzitter en [eiser 2] (hierna gezamenlijk: [erflater en eiser 2]).
(iii) Op 2 februari 2010 heeft Fairstar met de Chinese scheepswerf Guangzhou Shipyard International Co. Ltd. (hierna: GSI) en haar moederbedrijf China Shipbuilding Trading Company Ltd. (hierna: CSTC) een Head of Agreement gesloten, waarin is neergelegd dat Fairstar de intentie had om GSI vier identieke schepen te laten bouwen en die van haar te kopen.
(iv) In november 2010 werd Fairstar uitgenodigd om te tenderen voor het Ichtys LNG Project dat initieel in oktober/november 2011 zou worden vergund.
(v) In februari 2011 heeft [betrokkene 1] aan de rvc gemeld dat Fairstar een optie had om nog een vijfde schip door GSI te laten bouwen, dat FATHOM genoemd zou worden.
(vi) In juni 2011 heeft Fairstar haar tender ingeleverd voor het Ichtys LNG Project. Daarin staat dat Fairstar de beschikking zou hebben over vijf schepen, waaronder de FATHOM.
(vii) Op 13 juli 2011 is in de rvc uitgebreid gesproken over een eventuele opdracht voor de bouw van de FATHOM en de financiering daarvan, naar aanleiding van een presentatie van [betrokkene 1]. De notulen vermelden dat [betrokkene 1] namens het bestuur van Fairstar goedkeuring van de rvc heeft gevraagd:
“to finalize the contract with GSI subject to satisfying the Supervisory Board we can finance. It will be on the basis of USD 110 million with delivery date Q2 2013.”
De rvc heeft de bouw van de FATHOM goedgekeurd onder de voorwaarde dat Fairstar eerst de financiering rond zou krijgen. Een rvc-lid heeft te kennen gegeven daaraan de voorwaarde van een contract, zoals het Ichtys LNG Project, toe te willen voegen.
(viii) Op 24 juli 2011 heeft [betrokkene 1] aan CSTC/GSI geschreven:
“I have unanimous approval from my board of directors, but they insist we raise equity at a reasonable price.”
(ix) Op 25 juli 2011 heeft [betrokkene 1] het Shipbuilding Contract met Fairstar als
buyeren GSI en CSTC als
sellersgetekend voor de bouw van de FATHOM (hierna: het Shipbuilding Contract). De prijs voor de FATHOM was USD 111 miljoen. Het Shipbuilding Contract is gedateerd op 3 mei 2011 en bevat een voorbehoud van goedkeuring door de rvc van Fairstar. Het Shipbuilding Contract bepaalt dat na deze goedkeuring een
Down Paymentvan USD 2 miljoen diende te worden voldaan, gevolgd door een aantal
installments. Aan het Shipbuilding Contract zijn in de loop van de tijd drie Addenda toegevoegd, waarin (betalings)termijnen uit het Shipbuilding Contract werden verschoven.
(x) Op 4 augustus 2011 heeft [betrokkene 1] een Effective Confirmation Agreement met Fairstar als
buyeren GSI en CSTC als
sellersondertekend. Daarin is vastgelegd dat goedkeuring van de rvc is verkregen en het Shipbuilding Contract voor de FATHOM van kracht is geworden.
(xi) Op 12 oktober 2011 vond een rvc-vergadering plaats. Een aantal rvc-leden was verontrust door signalen dat de bouw van de FATHOM ter hand was genomen. De notulen vermelden dat [betrokkene 1] heeft verklaard:
“[[betrokkene 1]] went forward and if he was wrong he will take responsibility on the understanding we could sign the contract for FATHOM and as long as we were not committed paying any money and putting ourselves in financial risk the board approved that action and that is how we proceeded. (...) None of that is in the contract. (...) We have to formalize approval but we have signed a contract subject to finance.”
(xii) Op 31 oktober 2011 heeft GSI aan Fairstar een factuur gestuurd van USD 2 miljoen ter zake van de
Down Paymentvoor de FATHOM. [betrokkene 1] heeft diezelfde dag aan de rvc toestemming gevraagd om een
option paymentvan USD 2 miljoen aan GSI te mogen betalen. Nadat zij herhaald hadden dat voor de aankoop van de FATHOM eerst financiering moest zijn verkregen, hebben de commissarissen die toestemming gegeven. Het bedrag is op 8 november 2011 betaald, onder de omschrijving
option fee.
(xiii) Op 29 februari 2012 vond een rvc-vergadering plaats. In de notulen staat dat [betrokkene 1] onder meer heeft verklaard:
“We met with the Chinese and discussed delivery dates (…) and commercial issues (…): we made it clear we do not have the financial recourses in place. We have until the end of April to come back with a plan. We do not have financial obligations to them. (...) and if we do not come to an agreement by the end of April they can say the FATHOM is off.”
(xiv) Op 4 maart 2012 heeft Fairstar openbaar gemaakt dat zij het Ichtys LNG Project had binnengehaald.
(xv) Op 12 april 2012 hield de rvc een vergadering waarin de jaarrekening 2011 werd besproken. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren hierbij niet aanwezig. De controlerend accountant van Fairstar, KPMG, had in het accountantsrapport een goingconcernparagraaf opgenomen waarin twijfel werd uitgesproken over de continuïteit van Fairstar. Daarover is in de rvc-vergadering uitvoerig gesproken. De rvc is akkoord gegaan met de jaarrekening 2011 en deze is, met een goedkeurende accountantsverklaring van KPMG en de goingconcernparagraaf, op 12 april 2012 gepubliceerd. In de jaarrekening 2011 is de
option feevoor de FATHOM van USD 2 miljoen vermeld en verder geen andere verplichtingen met betrekking tot de FATHOM. De goingconcernparagraaf in het onderdeel Independent auditor’s report luidt:
“Emphasis of uncertainty with respect to the going concern assumption. We draw attention to the notes to the consolidated financial statements (general information) and the company financial statements (general), which indicate that the Company needs to obtain additional financing to fulfill the standard market conditions precedent for the bank facility. This situation, which is further described in the notes to the consolidated financial statements and the notes to the company financial statements, indicates the existence of a material uncertainty which may cast significant doubt about the company's ability to continue as a going concern. Our opinion is not qualified in respect of this matter.”
(xvi) Rond 22 april 2012 had Dockwise, een (veel grotere) concurrent van Fairstar, (deels voorwaardelijk) 54% van de aandelen in Fairstar verworven. Op 22 april 2012 maakte Dockwise een openbaar bod bekend op alle aandelen in Fairstar. Fairstar heeft het bod van Dockwise als vijandig bestempeld, (mede) omdat zij de biedprijs te laag vond.
(xvii) Op 14 mei 2012 heeft Dockwise haar (inmiddels) verplichte openbare bod gedaan, tegen dezelfde biedprijs.
(xviii) Op 18 mei 2012 heeft Fairstar haar cijfers over het eerste kwartaal van 2012 bekendgemaakt. In die kwartaalcijfers zijn geen verplichtingen voor de FATHOM vermeld.
(xix) Op 23 mei 2012 hebben Fairstar en CSTC/GSI een Memorandum of Agreement (hierna: MoA) gesloten. Hierin is onder meer opgenomen dat Fairstar
in defaultis met betalingen voor de FATHOM, dat Fairstar tot 20 juni 2012 de tijd krijgt om alsnog USD 20 miljoen te betalen en dat GSI bij gebreke van die betaling het contract mag ontbinden en aanspraak kan maken op een termination fee van USD 37,5 miljoen.
(xx) Op 28 mei 2012 heeft [betrokkene 2] het Shipbuilding Contract, de Effective Confirmation Agreement en de Addenda ondertekend.
(xxi) Op 15 juli 2012 hebben Dockwise en Fairstar bekendgemaakt dat zij overeenstemming hadden bereikt over de overname.
(xxii) Op 16 juli 2012 heeft Dockwise toegang gekregen tot het kantoor van Fairstar. Zij heeft die dag het Shipbuilding Contract in handen gekregen. Op 19 juli 2012 heeft het nieuwe management van Fairstar bij persbericht bekendgemaakt dat op 3 mei 2011 een Shipbuilding Contract was gesloten en op 23 mei 2012 een MoA. Verder heeft het nieuwe management aan advocatenkantoor NautaDutilh opdracht gegeven onderzoek te doen naar de gang van zaken bij Fairstar. NautaDutilh heeft op haar beurt een forensisch accountant bij het onderzoek betrokken.
(xxiii) KPMG heeft op 27 juli 2012 aangekondigd dat zij een onderzoek zou doen naar de controle van de jaarrekening 2011. Dat onderzoek heeft geleid tot een rapport van 16 oktober 2012, waarin KPMG concludeerde dat verplichtingen voor de FATHOM ten onrechte niet in de jaarrekening 2011 waren opgenomen en dat de jaarrekening moest worden herzien. Op 21 december 2012 heeft KPMG een goedkeurende accountantsverklaring afgegeven bij de herziene jaarrekening 2011 waarin de verplichtingen voor de FATHOM alsnog waren opgenomen.