Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het cassatieberoep is namens de verdachte ingediend door advocaten W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en daarbij ook het advies van de procureur-generaal betrokken. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen en heeft daarom op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 14 juli 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan slaagkans.