Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene, medepleger in hennepteelt en gewoontewitwassen.
De Hoge Raad beoordeelde diverse klachten over de schatting en motivering van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waaronder de toepassing van de eenvoudige kasopstelling en de betrokkenheid van bedragen die verband houden met vrijgesproken feiten. Deze klachten leidden niet tot vernietiging van het hofarrest.
Wel oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, waardoor een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting noodzakelijk was. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en stelde deze vast op € 1.248.170.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers en raadsheren Van Strien en Kuiper op 6 januari 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 1.248.170 wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.