Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van passieve ambtelijke omkoping en medeplegen van valsheid in geschrift.
De verdachte, hoofd van de beheersdienst van een ministerie, werd beschuldigd van het vragen en aannemen van giften en diensten in verband met de aanbesteding van een vuilnisstortplaats op Sint Maarten, alsmede van betrokkenheid bij het valselijk opmaken en gebruiken van facturen en purchase orders.
In cassatie werden diverse klachten over het bewijs en procedure aangevoerd, waaronder nietigheid van het onderzoek in hoger beroep en bewijsklachten over de betrokkenheid van de verdachte bij de strafbare feiten. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofvonnis konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 32 naar 31 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 32 naar 31 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, beroep voor het overige verworpen.