Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure staat de vraag centraal of betrokkene rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand in een hoger beroep tegen een ontnemingsvordering. Het hof Den Haag had geoordeeld dat betrokkene, die sinds 2017 in Marokko was ingeschreven en bij diverse zittingen niet aanwezig was, op de hoogte was van de zitting van 16 juni 2023 en wist dat zijn raadsman zich had onttrokken. Op grond daarvan concludeerde het hof dat betrokkene afstand had gedaan van zijn recht op rechtsbijstand en dat het hof niet gehouden was een opvolgend raadsman toe te voegen.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof weliswaar feiten heeft vastgesteld over de oproepingen en afwezigheid van betrokkene en zijn raadsman, maar dat deze feiten onvoldoende zijn om het oordeel te dragen dat betrokkene daadwerkelijk op de hoogte was van de zitting en de onttrekking van zijn raadsman. Ook de verdere omstandigheden met betrekking tot de procesopstelling van betrokkene bieden geen voldoende grondslag voor het oordeel dat hij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing. Hiermee wordt het belang van een zorgvuldige motivering bij het vaststellen van afstand van rechtsbijstand benadrukt, zeker in een zaak met een mogelijk aanzienlijke ontnemingsmaatregel.
De uitspraak onderstreept het belang van het recht op rechtsbijstand en de zorgvuldigheid die vereist is bij het aannemen van afstand daarvan, mede gelet op de procesrechtelijke waarborgen en de belangen van de betrokkene.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende motivering van afstand van het recht op rechtsbijstand.