De volgende verdragsrechtelijke en wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 6 lid 3, aanhef en onder c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de Nederlandse vertaling:
“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;”
- Artikel 28 lid 1 en 2 Sv:
“1. De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.
2. Aan de verdachte wordt overeenkomstig de wijze bij de wet bepaald door een aangewezen of gekozen raadsman rechtsbijstand verleend.”
- Artikel 28a lid 1 Sv:
“De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, tenzij in dit wetboek anders is bepaald.”
2.4.1Het hof heeft vastgesteld dat ambtshalve aan de betrokkene een raadsman is toegevoegd en dat deze raadsman, twee weken voor de inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering op de terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2023, aan de voorzitter van het hof heeft bericht dat hij zich als raadsman heeft onttrokken. Het hof heeft verder onder meer vastgesteld dat voorafgaand aan die inhoudelijke behandeling van de zaak terechtzittingen hebben plaatsgevonden op 25 september 2019, 8 september 2020 en 28 juni 2022, dat de oproepingen voor de terechtzittingen telkens zijn verzonden naar het adres in [plaats in Marokko] waarop de betrokkene volgens de basisregistratie personen (hierna: BRP) sinds 18 mei 2017 was ingeschreven en dat de betrokkene bij geen van de terechtzittingen aanwezig was.
2.4.2Het hof heeft vastgesteld dat de oproeping voor de terechtzitting van 16 juni 2023 en voor de eerdere terechtzittingen telkens naar hetzelfde BRP-adres in [plaats in Marokko] is verzonden en dat de raadsman op de terechtzitting van 8 september 2020 heeft meegedeeld dat de betrokkene op de hoogte was van die terechtzitting. Uitsluitend deze vaststellingen kunnen niet het oordeel van het hof dragen dat de betrokkene op de hoogte was van de terechtzitting van 16 juni 2023 en dat hij weet dat zijn raadsman zich heeft onttrokken. Het hierop voortbouwende oordeel van het hof dat de betrokkene rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand is daarom ontoereikend gemotiveerd. Dat de betrokkene rechtsgeldig afstand heeft gedaan van dat recht kan ook niet worden gebaseerd op de verdere door het hof aangeduide omstandigheden met betrekking tot de procesopstelling van de betrokkene. Gelet op een en ander is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.