Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in een bestelbus. De verdachte was veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf.
De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de strafduur vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de overige klachten onvoldoende waren voor vernietiging en dat geen nadere motivering nodig was.
Omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van 48 naar 46 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De Hoge Raad wees het arrest uit op 3 februari 2026, met vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Posthumus en Kuiper als leden.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 48 naar 46 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden verworpen.