Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 december 2023. De zaak betreft beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv, ingediend door drie klaagsters, te weten [klaagster 1] B.V., [klaagster 2] B.V. en [klaagster 3] B.V., die verdacht worden van illegale export van grote hoeveelheden verwerkte dierlijke eiwitten naar landen buiten de EU, waarbij gebruik is gemaakt van vervalste handelsdocumenten. De Hoge Raad oordeelt dat er geen proces-verbaal is opgemaakt van het onderzoek door de raadkamer, zoals vereist door artikel 25 lid 1 Sv. Dit gebrek leidt tot de vernietiging van de beschikking van de rechtbank en de terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel voor een nieuwe behandeling. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken had geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing, wat door de Hoge Raad is gevolgd. De uitspraak is gedaan door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, samen met de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, en is openbaar uitgesproken.