ECLI:NL:HR:2026:17

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
24/00107
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 SvArt. 94 SvArt. 98 lid 4 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken proces-verbaal raadkameronderzoek

In deze zaak hebben klaagsters beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel betreffende een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv en artikel 98 lid 4 jo Pro. 552a Sv. De klacht richt zich op het ontbreken van een proces-verbaal van het raadkameronderzoek, zoals voorgeschreven in artikel 25 lid 1 Sv Pro.

De Hoge Raad stelt vast dat het proces-verbaal van het raadkameronderzoek van 24 maart 2023 niet is opgemaakt en ontbreekt bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken. Dit is in strijd met de wettelijke voorschriften die bepalen dat de griffier een proces-verbaal moet opmaken met de zakelijke inhoud van de verklaringen en het verloop van het onderzoek.

Naar aanleiding van een verzoek van de raadsman is bij de rechtbank nadere informatie ingewonnen, waaruit blijkt dat het proces-verbaal inderdaad niet is opgemaakt. Gelet hierop vernietigt de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel voor een nieuwe behandeling en afdoening. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens ontbreken van het proces-verbaal en wijst de zaak terug voor herbehandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00107 Bv
Datum6 januari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 december 2023, nummers RK 23/021939, 22/24, 22/25 en 22/26, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster 1] B.V.,
gevestigd in [plaats],
en
[klaagster 2] B.V.,
gevestigd in [plaats],
en
[klaagster 3] B.V.,
gevestigd in [plaats],
hierna: de klaagsters.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagsters. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 25 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 24 maart 2023 is opgemaakt.
2.2
Op grond van artikel 25 lid 1 Sv Pro moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en wat verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat daarnaast voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van dat proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken.
2.3
Het proces-verbaal waarop het cassatiemiddel doelt, ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Naar aanleiding van een verzoek dat de raadsman op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft gedaan, is bij de rechtbank nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat geen proces-verbaal is opgemaakt. Het cassatiemiddel slaagt daarom.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.