ECLI:NL:HR:2026:17

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
24/00107
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van beschikking inzake beklag ex art. 552a Sv en art. 98.4 jo. 552a Sv met betrekking tot illegale export van dierlijke eiwitten

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 december 2023. De zaak betreft beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv, ingediend door drie klaagsters, te weten [klaagster 1] B.V., [klaagster 2] B.V. en [klaagster 3] B.V., die verdacht worden van illegale export van grote hoeveelheden verwerkte dierlijke eiwitten naar landen buiten de EU, waarbij gebruik is gemaakt van vervalste handelsdocumenten. De Hoge Raad oordeelt dat er geen proces-verbaal is opgemaakt van het onderzoek door de raadkamer, zoals vereist door artikel 25 lid 1 Sv. Dit gebrek leidt tot de vernietiging van de beschikking van de rechtbank en de terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel voor een nieuwe behandeling. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken had geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing, wat door de Hoge Raad is gevolgd. De uitspraak is gedaan door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, samen met de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00107 Bv
Datum6 januari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 december 2023, nummers RK 23/021939, 22/24, 22/25 en 22/26, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster 1] B.V.,
gevestigd in [plaats],
en
[klaagster 2] B.V.,
gevestigd in [plaats],
en
[klaagster 3] B.V.,
gevestigd in [plaats],
hierna: de klaagsters.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagsters. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 25 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 24 maart 2023 is opgemaakt.
2.2
Op grond van artikel 25 lid 1 Sv moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en wat verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat daarnaast voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van dat proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken.
2.3
Het proces-verbaal waarop het cassatiemiddel doelt, ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Naar aanleiding van een verzoek dat de raadsman op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft gedaan, is bij de rechtbank nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat geen proces-verbaal is opgemaakt. Het cassatiemiddel slaagt daarom.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.