ECLI:NL:HR:2026:175

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
23/04198
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen bezit harddrugs

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 141 pillen en 108 gram MDMA, in strijd met artikel 2.C van de Opiumwet. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de cassatiemiddelen van de verdachte beoordeeld, waaronder de bewijsklachten over het opzet en de wetenschap van de aanwezigheid van harddrugs in de woning. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten vanwege het bepaalde in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de relatief lichte opgelegde straf van 71 dagen gevangenisstraf, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, verbond de Hoge Raad aan deze termijnoverschrijding geen verdere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en het arrest van het gerechtshof in stand gelaten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd met een gevangenisstraf van 71 dagen, waarvan 30 voorwaardelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04198
Datum10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 oktober 2023, nummer 21-005751-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.A.C. de Bruijn bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 71 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 februari 2026.