Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 141 pillen en 108 gram MDMA, in strijd met artikel 2.C van de Opiumwet. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft de cassatiemiddelen van de verdachte beoordeeld, waaronder de bewijsklachten over het opzet en de wetenschap van de aanwezigheid van harddrugs in de woning. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten vanwege het bepaalde in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de relatief lichte opgelegde straf van 71 dagen gevangenisstraf, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, verbond de Hoge Raad aan deze termijnoverschrijding geen verdere rechtsgevolgen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en het arrest van het gerechtshof in stand gelaten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd met een gevangenisstraf van 71 dagen, waarvan 30 voorwaardelijk.