ECLI:NL:HR:2026:19

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
24/04580
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 Sr (oud)Art. 27 SrArt. 6 EVRMArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onbegrijpelijke strafoplegging jeugddetentie bij ontucht met minderjarige

De zaak betreft een 16-jarige verdachte die werd veroordeeld voor ontucht met een 15-jarig meisje in een park, in strijd met het oude artikel 245 Sr Pro. Het hof legde een straf van 90 dagen jeugddetentie op, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, met aftrek van voorarrest. De strafmotivering van het hof vermeldde dat de opgelegde straf in overeenstemming was met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder eerdere veroordelingen.

De advocaat-generaal stelde in zijn conclusie dat de strafoplegging onbegrijpelijk was omdat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie de feitelijke duur van het voorarrest (maximaal drie dagen) overstijgt, terwijl het hof in haar motivering suggereerde dat de verdachte niet opnieuw zou worden vastgezet tenzij hij binnen de proeftijd een nieuw strafbaar feit pleegt. De Hoge Raad oordeelde dat deze discrepantie tussen strafoplegging en motivering de strafoplegging onbegrijpelijk maakt.

De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betreft, maar liet de opgelegde schadevergoedingsmaatregel intact. De zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging. De uitspraak werd gedaan op 6 januari 2026 door de strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04580 J
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 december 2024, nummer 21-001423-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk is nu het hof, anders dan tot uitdrukking komt in de strafmotivering, jeugddetentie heeft opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel uitstijgt boven de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.
2.2
Volgens het dictum heeft het hof de verdachte veroordeeld tot onder meer negentig dagen jeugddetentie, waarvan zestig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De strafmotivering houdt onder meer in:
“Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een ontuchtige handeling met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, door zich in een park te laten pijpen door het slachtoffer, dat destijds vijftien jaar oud was. Artikel 245 van Pro het wetboek van Strafrecht heeft als strekking de persoonlijke en seksuele integriteit van het slachtoffer te beschermen, nu zij en andere minderjarigen – gezien hun leeftijd – onvoldoende in staat worden geacht de consequenties van hun handelen te kunnen overzien of zichzelf te beschermen tegen seksueel misbruik. Door zich door een 15-jarig meisje te laten pijpen heeft verdachte zijn eigen seksuele behoefte boven het belang van het slachtoffer geplaatst. Blijkens de slachtofferverklaring heeft verdachtes handelen een grote impact op het slachtoffer gehad. Het hof rekent dit verdachte aan.
De ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, brengen met zich dat het hof, anders dan de raadsvrouw, geen ruimte ziet om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat verdachte – blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 maart 2024 – eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, alsmede de overige persoonlijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door en namens verdachte naar voren zijn gebracht.
Verder heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat het hof tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de rechtbank.
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende. In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in eerste aanleg fors is geschonden. Verdachte is op 7 december 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 19 maart 2024. Daarmee is de redelijke termijn, uitgaande van de norm van 16 maanden, in eerste aanleg met ruim elf maanden overschreden, terwijl dit niet aan verdachte valt toe te rekenen. Het hof zal daarom een enigszins kortere jeugddetentie opleggen dan het passend en geboden acht. Ook zal het hof de proeftijd van de hierna te noemen voorwaardelijke straf op één jaar vaststellen, gelet op dit tijdsverloop en de gedateerdheid van het bewezenverklaarde feit.
Gelet op het voorgaande, acht het hof, alles afwegende, oplegging van negentig dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan zestig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, passend en geboden. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw vast komt te zitten voor deze zaak, tenzij anders wordt beslist omdat hij zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit. Aan de oplegging van de voorwaardelijke jeugddetentie zullen geen bijzondere voorwaarden en/of een contactverbod worden verbonden, nu in de afgelopen vijf jaren niet is gebleken van enige noodzaak hiertoe.”
2.3
Het verloop van het voorarrest van de verdachte in de onderhavige zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.7 en 2.8. Daaruit volgt dat de verdachte maximaal drie dagen uit hoofde van de onderhavige zaak in voorarrest heeft doorgebracht en niet, waar het hof kennelijk van uitging, ten minste dertig dagen.
2.4
Gelet op het voorgaande is de strafoplegging niet begrijpelijk gemotiveerd, omdat de opgelegde straf onverenigbaar is met de strafmotivering, in het bijzonder met de overweging van het hof dat de opgelegde straf “betekent dat verdachte niet opnieuw vast komt te zitten voor deze zaak, tenzij anders wordt beslist omdat hij zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit”.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, in welke vernietiging niet is begrepen de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.