Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 februari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werkneemster bij Stichting Antonius Zorggroep wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter kende een billijke vergoeding toe van drie jaarsalarissen vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Het gerechtshof bevestigde de ontbinding en stelde de billijke vergoeding vast op €170.000, waarbij het de mogelijke WW-uitkering in mindering bracht.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de werkneemster verworpen. De centrale vraag was of de WW-uitkering die de werknemer mogelijk zou ontvangen, in mindering mag worden gebracht op de billijke vergoeding. De Hoge Raad bevestigt dat dit is toegestaan, mits de vergoeding aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden en de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen.
Het hof had de vergoeding berekend op basis van het gemiste loon over twee jaar, verminderd met de WW-uitkering of het inkomen uit een andere baan dat de werkneemster redelijkerwijs zou kunnen verwerven. De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat het hof voldoende inzicht heeft gegeven in de motieven voor zijn oordeel.
De Hoge Raad veroordeelt de werkneemster tevens in de proceskosten. De uitspraak bevestigt de jurisprudentie dat bij de vaststelling van billijke vergoedingen rekening mag worden gehouden met zowel nadelen als voordelen die voortvloeien uit het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de WW-uitkering in mindering mag worden gebracht op de billijke vergoeding.