Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2023. De verdachte, geboren in 1976, was in eerste aanleg vrijgesproken van openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 141.2.1 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging voerde aan dat het hof de verklaringen van de aangever en getuigen niet had mogen gebruiken voor het bewijs, gezien de onbetrouwbaarheid die door de verdediging was aangevoerd. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof het verweer van de verdediging niet als een afzonderlijk onderbouwd standpunt had aangemerkt, maar als een algemener bewijsverweer. Dit oordeel werd niet onbegrijpelijk geacht, aangezien de uitleg van verweren voorbehouden is aan de feitenrechter. De Hoge Raad concludeerde dat de argumenten van de verdediging niet voldoende waren om tot cassatie te leiden. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn voor het behandelen van het cassatieberoep was overschreden, maar dat dit geen verdere rechtsgevolgen met zich meebracht. Uiteindelijk werd het beroep verworpen.