Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel. Het hof Den Haag bevestigde deze vrijspraak, waarbij het bewijs mede bestond uit verklaringen van de aangever en twee getuigen. De verdediging voerde aan dat deze verklaringen onbetrouwbaar waren en niet als bewijs mochten dienen.
In cassatie klaagde de verdachte dat het hof ten onrechte deze verklaringen als bewijs had gebruikt. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof het verweer van de verdediging niet als een afzonderlijk, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen had opgevat, maar als onderdeel van een algemener bewijsverweer. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk, mede omdat de uitleg van verweren aan de feitenrechter is voorbehouden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en stelde vast dat het hof niet gehouden was tot nadere motivering van het bewijsgebruik. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar dit leidde niet tot een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur.
De uitspraak bevestigt dat het hof een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de waardering van getuigenverklaringen en dat de Hoge Raad terughoudend is in het toetsen van deze waardering, tenzij sprake is van een onbegrijpelijk oordeel.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt vrijspraak openlijke geweldpleging ondanks betwisting bewijs, cassatieberoep verworpen.