ECLI:NL:HR:2026:2

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23/03879
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over openlijke geweldpleging en bewijswaardering van verklaringen

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2023. De verdachte, geboren in 1976, was in eerste aanleg vrijgesproken van openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 141.2.1 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging voerde aan dat het hof de verklaringen van de aangever en getuigen niet had mogen gebruiken voor het bewijs, gezien de onbetrouwbaarheid die door de verdediging was aangevoerd. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof het verweer van de verdediging niet als een afzonderlijk onderbouwd standpunt had aangemerkt, maar als een algemener bewijsverweer. Dit oordeel werd niet onbegrijpelijk geacht, aangezien de uitleg van verweren voorbehouden is aan de feitenrechter. De Hoge Raad concludeerde dat de argumenten van de verdediging niet voldoende waren om tot cassatie te leiden. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn voor het behandelen van het cassatieberoep was overschreden, maar dat dit geen verdere rechtsgevolgen met zich meebracht. Uiteindelijk werd het beroep verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03879
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2023, nummer 22-003497-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , in weerwil van wat door de verdediging naar voren was gebracht over de onbetrouwbaarheid van die verklaringen.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.