Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:21

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
24/04497
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 288 SrArt. 282 lid 1 SrArt. 151 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak gekwalificeerde doodslag en medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving

In deze zaak stond de verdachte terecht voor gekwalificeerde doodslag, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen van het wegmaken van een lijk. De feiten betreffen het martelen van een persoon in België in 2019, het vastbinden en rondrijden in de laadruimte van diens bestelbus om informatie over verborgen geld te verkrijgen, hetgeen leidde tot het overlijden van het slachtoffer. Vervolgens werden het lichaam in stukken gezaagd, lichaamsdelen verbrand in een olievat en de restanten in een speciekuip met cement gestort en in het water gedumpt.

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld en stelde cassatieberoep in. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in. De procureur-generaal kreeg de gelegenheid een advies uit te brengen. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep duidelijk niet kon slagen en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het arrest werd gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en raadsheren Kuijer en Kooijmans, en uitgesproken op 6 januari 2026. De strafmaat betrof onder meer TBS met dwangverpleging. Er is tevens een samenhangende zaak (nummer 24/04501) die niet gepubliceerd is omdat geen middelen waren ingediend en de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het gerechtshof ongewijzigd blijft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04497
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 december 2024, nummer 20-002191-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Bektesevic een schriftuur ingediend.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.