Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
6 januari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor gekwalificeerde doodslag, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen van het wegmaken van een lijk. De feiten betreffen het martelen van een persoon in België in 2019, het vastbinden en rondrijden in de laadruimte van diens bestelbus om informatie over verborgen geld te verkrijgen, hetgeen leidde tot het overlijden van het slachtoffer. Vervolgens werden het lichaam in stukken gezaagd, lichaamsdelen verbrand in een olievat en de restanten in een speciekuip met cement gestort en in het water gedumpt.
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld en stelde cassatieberoep in. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in. De procureur-generaal kreeg de gelegenheid een advies uit te brengen. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep duidelijk niet kon slagen en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en raadsheren Kuijer en Kooijmans, en uitgesproken op 6 januari 2026. De strafmaat betrof onder meer TBS met dwangverpleging. Er is tevens een samenhangende zaak (nummer 24/04501) die niet gepubliceerd is omdat geen middelen waren ingediend en de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het gerechtshof ongewijzigd blijft.