ECLI:NL:HR:2026:21

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
24/04497
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gekwalificeerde doodslag en medeplegen van vrijheidsberoving en wegmaken van lijk met fatale afloop

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 december 2024. De verdachte, geboren in 1988, was betrokken bij een ernstige strafzaak waarin hij werd beschuldigd van gekwalificeerde doodslag, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen van het wegmaken van een lijk. De feiten van de zaak zijn schokkend: in 2019 heeft de verdachte samen met anderen een persoon gemarteld en deze vastgebonden in de laadruimte van een bestelbus rondgereden, met als doel om informatie te verkrijgen over de locatie van verborgen geld. Dit leidde tot de dood van het slachtoffer. Na de fatale afloop heeft de verdachte het lichaam in stukken gezaagd, de lichaamsdelen in een olievat verbrand en de overgebleven resten in een speciekuip met cement gestort, die vervolgens in het water is gedumpt.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten over de uitspraak van het hof niet ontvankelijk zijn. De procureur-generaal heeft de gelegenheid gekregen om advies uit te brengen, maar de Hoge Raad heeft besloten het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren, zoals toegestaan onder artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04497
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 december 2024, nummer 20-002191-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Bektesevic een schriftuur ingediend.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.