Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 december 2024. De verdachte, geboren in 1988, was betrokken bij een ernstige strafzaak waarin hij werd beschuldigd van gekwalificeerde doodslag, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen van het wegmaken van een lijk. De feiten van de zaak zijn schokkend: in 2019 heeft de verdachte samen met anderen een persoon gemarteld en deze vastgebonden in de laadruimte van een bestelbus rondgereden, met als doel om informatie te verkrijgen over de locatie van verborgen geld. Dit leidde tot de dood van het slachtoffer. Na de fatale afloop heeft de verdachte het lichaam in stukken gezaagd, de lichaamsdelen in een olievat verbrand en de overgebleven resten in een speciekuip met cement gestort, die vervolgens in het water is gedumpt.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten over de uitspraak van het hof niet ontvankelijk zijn. De procureur-generaal heeft de gelegenheid gekregen om advies uit te brengen, maar de Hoge Raad heeft besloten het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren, zoals toegestaan onder artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.