Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
10 maart 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte samen met zijn zoon een ander had mishandeld na een woordenwisseling over de huurbetaling van een caravan. De rechtbank sprak verdachte vrij, maar het hof Amsterdam veroordeelde hem voor medeplegen mishandeling op grond van artikel 300 lid 1 Sr Pro.
Het cassatieberoep richtte zich op meerdere bewijsklachten, waaronder de vraag of de verklaring van de aangever als bewijs kon dienen, het ontbreken van buurtonderzoek, het niet horen van een getuige, de mogelijkheid dat het letsel door een val was ontstaan, en de toepassing van het bewijsminimum volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro (unus testis).
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de verklaring van de aangever voldoende had gemotiveerd en dat het ontbreken van buurtonderzoek en het niet horen van een getuige niet tot cassatie konden leiden, mede omdat deze punten in hoger beroep niet of onvoldoende waren aangevoerd. Ook was het verweer dat het letsel door een val was ontstaan niet feitelijk onderbouwd. De verklaring van de aangever werd ondersteund door het geconstateerde letsel en waargenomen geluiden. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor medeplegen mishandeling.