ECLI:NL:HR:2026:217

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
24/01708
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 lid 1 SrArt. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring medeplegen mishandeling ondanks bewijsklachten

In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte medeplegen van mishandeling kon worden bewezen. De mishandeling vond plaats na een woordenwisseling over de huurbetaling van een caravan, waarbij verdachte samen met zijn vader het slachtoffer meerdere keren sloeg en schopte.

De rechtbank sprak verdachte vrij, maar het hof Amsterdam oordeelde anders en achtte medeplegen bewezen. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatieberoep in, met diverse klachten over de bewijsmotivering. Zo werd aangevoerd dat het hof ten onrechte de verklaring van de aangever als bewijs gebruikte, dat er onvoldoende buurtonderzoek was gedaan, dat een getuige niet was gehoord, en dat het letsel mogelijk door een val was ontstaan.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de verklaring van de aangever voldoende had gemotiveerd en dat de klachten over het ontbreken van buurtonderzoek en getuigenverhoor niet ontvankelijk waren of onvoldoende waren onderbouwd. Ook was het hof terecht niet ingegaan op het verweer dat het letsel door een val zou zijn veroorzaakt, omdat dit geen feitelijke grondslag had. De Hoge Raad concludeerde dat de verklaring van de aangever werd ondersteund door het geconstateerde letsel en waargenomen geluiden, en dat het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv Pro niet was geschonden.

Daarmee verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof Amsterdam, waarmee de bewezenverklaring van medeplegen mishandeling standhield.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van medeplegen mishandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01708
Datum10 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2024, nummer 23-000206-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S. Jankie bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De cassatiemiddelen zijn schriftelijk toegelicht.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 maart 2026.