Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
6 januari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine, MDMA, heroïne en cocaïne in panden te Emmen en Roermond, medeplegen van productie en handel in harddrugs en medeplegen van witwassen van de opbrengsten daarvan.
De verdachte stelde cassatiemiddelen in, waarbij onder meer klachten werden geuit over de bewijswaardering en de mate van betrokkenheid bij de drugsaanwezigheid. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan. Voor het overige werd het beroep verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de straf met zes jaren en twee maanden. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en stelde de gevangenisstraf vast op vijf jaar en elf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.