Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
10 februari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak betreft het een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door het op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel dat niet overeenkomstig Verordening (EG) 1107/2009 in Nederland is toegelaten.
De betrokkene heeft het cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen cassatiemiddelen ingediend binnen de daarvoor gestelde termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting om binnen de termijn cassatiemiddelen in te dienen, zoals bepaald in artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 10 februari 2026, waarbij de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.