Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
3.Beslissing
13 februari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de aansprakelijkheid van accountants jegens bestuurders van een gefailleerde vennootschap centraal. De eisers vorderden schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de accountants, waarbij onder meer de eisen aan de stelplicht en onderbouwing van de schadevergoedingsvordering, met name voor gederfde winst, aan de orde waren.
De procedure kende meerdere fases, met vonnissen van de rechtbank Den Haag en een arrest van het gerechtshof Den Haag. Beide instanties wezen de vorderingen af. Zowel de eisers als de verweerders stelden cassatieberoep in, waarbij de verweerders een gedeeltelijk voorwaardelijk incidenteel beroep instelden.
De Hoge Raad heeft de klachten van partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad verwerpt zowel het principale als het incidentele cassatieberoep en veroordeelt beide partijen in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof Den Haag in stand, waarbij de aansprakelijkheidsvordering van de eisers is afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de aansprakelijkheidsvordering tegen de accountants.