ECLI:NL:HR:2026:260

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
25/02684
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Ondanks ontvangst van deze brief werd het griffierecht niet voldaan.

Belanghebbende werd vervolgens in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet betalen, maar de aangevoerde redenen werden niet als voldoende geacht. Een later ingediend verzoek om betalingsonmacht werd niet in behandeling genomen omdat dit na de gestelde termijn werd ingediend.

Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Faase, Cools en Peters op 20 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02684
Datum20 februari 2026
ARREST
op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 8 juli 2025, nr. SGR 24/7749 V.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 10 september 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 9 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 5 november 2025 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
1.3
Op 10 oktober 2025 heeft belanghebbende ter zake van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan. Aangezien dat verzoek niet is gedaan vóór het einde van de voor de betaling van het griffierecht gestelde termijn, slaat de Hoge Raad op dat verzoek geen acht.
1.4
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.