ECLI:NL:HR:2026:261
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De Hoge Raad stelde belanghebbende bij aangetekende brief in kennis van de verschuldigdheid van griffierecht en gaf een termijn van vier weken voor betaling. Ondanks ontvangst van deze brief werd het griffierecht niet betaald.
Belanghebbende werd vervolgens in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet betalen, maar de aangevoerde redenen werden niet als voldoende geacht. Een later ingediend verzoek tot betalingsonmacht werd niet in behandeling genomen omdat dit na de gestelde termijn werd ingediend.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Faase, Cools en Peters op 20 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.