Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte, geboren in 1977, was veroordeeld voor het medeplegen van de uitvoer van 40 kg hennep, het telen van hennepplanten, diefstal van elektriciteit en beschadiging. De advocaat D.N. de Jonge heeft cassatiemiddelen ingediend, terwijl de advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak, behalve met betrekking tot de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Dit heeft geleid tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden naar 23 maanden en 2 weken, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De Hoge Raad heeft het beroep voor het overige verworpen.