Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2023. De verdachte, geboren in 2000, was in eerste aanleg vrijgesproken van openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 141.1.2 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging voerde aan dat het hof de verklaringen van de aangever en getuigen onterecht had gebruikt voor het bewijs, ondanks de bezwaren over de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het verweer van de verdediging niet als een afzonderlijk onderbouwd standpunt had aangemerkt, maar als een algemener bewijsverweer. Dit oordeel werd niet onbegrijpelijk geacht, aangezien de uitleg van verweren aan de feitenrechter is voorbehouden. De Hoge Raad concludeerde dat de door het hof gebruikte bewijsmiddelen voldoende waren om de verdachte te veroordelen, en dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dat dit geen verdere rechtsgevolgen met zich meebracht. Uiteindelijk werd het beroep verworpen.