ECLI:NL:HR:2026:309
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in vennootschapsbelastingzaak 2014
Belanghebbende, een vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over de aanslag vennootschapsbelasting en een navorderingsaanslag over het jaar 2014, inclusief de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
Na een uitspraak van de Rechtbank Gelderland werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat op 30 januari 2024 uitspraak deed. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende tegen het arrest van het hof beoordeeld, maar deze klachten konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Het arrest is op 27 februari 2026 in het openbaar gewezen door de raadsheren Feteris, Boerlage en Van der Voort Maarschalk.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.