Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, dat op 5 juli 2024 werd gewezen. De verdachte, geboren in 1998, was betrokken bij een verkeersincident in Den Haag waarbij hij als bestuurder van een bestelauto achteruit reed en in botsing kwam met een oudere vrouw die een rollator gebruikte. Dit leidde tot haar overlijden. De Hoge Raad beoordeelt in deze cassatie of de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, zoals vereist onder artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof, en dat het niet nodig is om te motiveren waarom dit oordeel is gegeven. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de strafmotivering van het hof, die een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor 1 jaar omvat.