ECLI:NL:HR:2026:311
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake vennootschapsbelasting 2014
Belanghebbende, een vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over de aanslag vennootschapsbelasting en een navorderingsaanslag over het jaar 2014, inclusief de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Gelderland werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat op 30 januari 2024 uitspraak deed.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft de ingediende klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in stand en is het geschil over de aanslagen vennootschapsbelasting 2014 definitief beslecht.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.