Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:324

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
24/01278
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 36e lid 3 SrArt. 74 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak profijtontneming wegens wapens en cocaïne

De betrokkene werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit onder meer het voorhanden hebben van wapens en het aanwezig hebben van cocaïne. Het hof maakte gebruik van de methode van eenvoudige kasopstelling conform artikel 36e lid 3 Sr.

In cassatie stelde de betrokkene onder meer dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 74 AWR Pro niet-ontvankelijk verklaard moest worden in de ontnemingsvordering. Daarnaast werd betwist of het hof mocht uitgaan van een beginsaldo contant geld van nul euro, of het bedrag van € 50.000 dat contant aan een advocatenkantoor was betaald, mocht worden meegenomen in de berekening van het w.v.v., en of het hof bij de vaststelling van het w.v.v. mocht uitgaan van de aankoopwaarde van contant aangeschafte goederen in plaats van de executiewaarde.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering van het hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01278 P
Datum3 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 29 februari 2024, nummer 23-003881-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat W. de Vries bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 maart 2026.