Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
3 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor mishandeling door tijdens een voetbalwedstrijd twee keer een tegenstander tegen het hoofd te slaan, in strijd met artikel 300 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Den Haag had hem veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van veertig uur.
In cassatie stelde de verdediging onder meer dat de belastende verklaringen onbetrouwbaar waren omdat deze tot stand waren gekomen na onderling overleg en deels betrekking hadden op een ander incident. Ook werd een alternatief scenario voorgesteld waarin de verdachte zich uit een nekklem moest losworstelen en uit escalatie handelde. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde lichte sanctie (een geheel voorwaardelijke taakstraf) verbond de Hoge Raad hieraan geen ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 3 maart 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de jeugdige verdachte voor mishandeling en wijst het cassatieberoep af.