Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:325

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
24/03905
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 lid 1 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling jeugdige voor mishandeling tijdens voetbalwedstrijd

De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor mishandeling door tijdens een voetbalwedstrijd twee keer een tegenstander tegen het hoofd te slaan, in strijd met artikel 300 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Den Haag had hem veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van veertig uur.

In cassatie stelde de verdediging onder meer dat de belastende verklaringen onbetrouwbaar waren omdat deze tot stand waren gekomen na onderling overleg en deels betrekking hadden op een ander incident. Ook werd een alternatief scenario voorgesteld waarin de verdachte zich uit een nekklem moest losworstelen en uit escalatie handelde. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde lichte sanctie (een geheel voorwaardelijke taakstraf) verbond de Hoge Raad hieraan geen ander rechtsgevolg.

De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 3 maart 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de jeugdige verdachte voor mishandeling en wijst het cassatieberoep af.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03905 J
Datum3 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2024, nummer 22-001466-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 maart 2026.