ECLI:NL:HR:2026:343

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
25/00321
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 94a SvArt. 552a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie tegen beslag op vermogen wegens illegale kansspelen en witwassen

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van klaagster verworpen tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die de voortzetting van beslag op diverse vermogensbestanddelen bevestigde. Het beslag betreft onder meer een woning, auto's, een boot, effectenportefeuilles en bankrekeningen in Nederland en Zwitserland, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan een criminele organisatie.

De klaagster voerde aan dat het beslag disproportioneel was, omdat de waarde van de inbeslaggenomen goederen lager zou zijn dan de te verwachten betalingsverplichting en dat zij door het beslag in een nijpende financiële situatie zou verkeren. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sprake was van overbeslag en dat de voortzetting van het beslag niet in strijd was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De Hoge Raad heeft de klachten van klaagster beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep in cassatie is derhalve verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/00321 B
Datum10 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/020112, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] N.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Curaçao),
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 maart 2026.