ECLI:NL:HR:2026:350

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/02383
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70m WVW 1994Art. 3.2 Besluit VoertuigenArt. 94 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing in zaak kilometerblokker beslag op auto

In deze zaak gaat het om een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een klaagschrift van de klager werd gegrond verklaard en de teruggave van een inbeslaggenomen auto werd gelast. De auto was voorzien van een apparaat dat de werking van de kilometerstand beïnvloedt, een zogenoemde kilometerblokker. De officier van justitie had aangegeven de klager niet te vervolgen voor het aanwezig hebben van dit apparaat.

De rechtbank oordeelde dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de auto moest worden afgewezen omdat de auto niet van zodanige aard was dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd was met de wet of het algemeen belang. Hierdoor was er geen belang meer bij het voortduren van het beslag.

De Hoge Raad heeft in een samenhangende zaak geoordeeld dat het oordeel van de rechtbank over het niet in strijd zijn met het algemeen belang ontoereikend was gemotiveerd. Op grond daarvan vernietigt de Hoge Raad de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland voor een nieuwe behandeling en beslissing.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt beschikking rechtbank en wijst zaak terug voor herbehandeling wegens onvoldoende motivering over het algemeen belang bij beslag op auto met kilometerblokker.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/02383 B
Datum17 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 30 mei 2025, nummer RK 24/030345, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de gegrondverklaring van het klaagschrift door de rechtbank.
2.2
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave aan de klager van een inbeslaggenomen personenauto, gegrond verklaard en de teruggave van die auto aan de klager gelast. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:
“De officier van justitie heeft meegedeeld dat klager niet zal worden vervolgd voor het aanwezig hebben van de kilometerblocker in zijn auto. Ter beoordeling ligt slechts voor of het beslag moet voortduren in verband met de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van de auto. In een separate beslissing komt de raadkamer tot het oordeel dat die vordering tot onttrekking moet worden afgewezen, omdat de auto niet van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Er bestaat dan ook geen belang meer bij voortduring van het beslag.”
2.3
In de met deze zaak samenhangende zaak 25/02382 B (ECLI:NL:HR:2026:349) heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld dat het oordeel van de rechtbank dat het ongecontroleerde bezit van de betreffende auto niet in strijd is met het algemeen belang, ontoereikend is gemotiveerd. Daarom slaagt het cassatiemiddel.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 maart 2026.