Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor medeplegen van beroeps- en/of bedrijfsmatig opzettelijk vervalste merkkleding te koop aanbieden en in voorraad hebben, in strijd met artikel 337.1 jo. 337.3 Sr. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met een voorstel tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige werd het beroep verworpen. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de korte duur van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden, verbindt de Hoge Raad aan deze termijnoverschrijding geen ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan op 13 januari 2026 door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot twee maanden gevangenisstraf voor medeplegen van beroepsmatige vervalsing van merkkleding.