Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
17 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het vervoeren en aanwezig hebben van ruim 1.600 kg cocaïne op een boot nabij Venezuela.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een verzoek om onderzoeksresultaten van de Landsrecherche bij de processtukken te voegen en een betoog dat vervolging onevenredig zou zijn en het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De Hoge Raad wees deze klachten af en bevestigde de ontvankelijkheid van het OM.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaar naar zes jaar en acht maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofvonnis uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 17 maart 2026.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zes jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden verworpen.