Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
10 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan doodslag. Verdachte zocht samen met een medeverdachte de confrontatie met het slachtoffer op en bracht deze medeverdachte met de auto naar de plaats van het misdrijf, waarna de medeverdachte meerdere keren met een vuurwapen op het slachtoffer schoot.
In cassatie werd onder meer een bewijsklacht geuit over het opzet van de medeplichtige en de vraag of er voldoende verband bestond tussen het misdrijf waarop het opzet van verdachte was gericht (afpersing) en het gronddelict (doodslag). De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de beperkte mate van overschrijding werd geen ander rechtsgevolg aan deze overschrijding verbonden.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam wordt bevestigd.