Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2023. De verdachte, geboren in 1976, was in eerste aanleg vrijgesproken voor primair ten laste gelegde diefstal, maar veroordeeld voor subsidiair ten laste gelegde schuldheling. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld, dat zich richtte op de motivering van het bewezenverklaarde medeplegen van diefstal. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie leidt, waarbij de redenen hiervoor zijn vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. Tevens werd ambtshalve beoordeeld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, is overschreden. De Hoge Raad oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding geeft tot andere rechtsgevolgen. Uiteindelijk werd het beroep verworpen.