Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:421

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/04841
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197a SrArt. 28 SrArt. 31 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mensensmokkel en beroepstermijnontzetting in vreemdelingenrecht

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor mensensmokkel van vijftien vluchtelingen door hen in de uitoefening van zijn beroep als juridisch adviseur in asielrecht behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland. Het hof legde een gevangenisstraf van vier jaren en een ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein voor tien jaren op.

In cassatie klaagde de verdachte onder meer over de motivering van het bewezenverklaarde en de duur van de ontzetting van het beroepsrecht. De Hoge Raad oordeelde dat de motivering voldoende was en verwierp die klacht. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de duur van de ontzetting van het recht het wettelijk maximum overschreed, omdat deze de duur van de gevangenisstraf met meer dan vijf jaren oversteeg, wat strijdig is met artikel 31 lid 1 sub Pro 2 Sr.

Daarnaast werd de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van vier jaren naar drie jaren en tien maanden. De ontzetting in het beroepsrecht werd verminderd tot acht jaren en tien maanden. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad deed de zaak zelf af en vernietigde het hofarrest uitsluitend voor de duur van de straf en ontzetting.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot drie jaren en tien maanden en de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep tot acht jaren en tien maanden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04841
Datum17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2023, nummer 20-001456-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van het opgelegde beroepsverbod en tot bepaling van die duur op negen jaren, wat betreft de aangehaalde toepasselijke wettelijke voorschriften en tot vermelding van artikel 28 Sr Pro en artikel 31 Sr Pro als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust, en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het onder 6 bewezenverklaarde.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de duur van de aan de verdachte opgelegde ontzetting van het recht op uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein.
3.2
Het hof heeft de verdachte voor, kort gezegd, mensensmokkel van vluchtelingen door in de uitoefening van een beroep hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en een ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein voor de duur van tien jaren.
3.3
Artikel 31 lid Pro 1, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat bij veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf de duur van de ontzetting van een recht de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaat. De door het hof bepaalde duur van de ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen is met dit voorschrift in strijd. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door de duur van de opgelegde ontzetting te verminderen.

4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de duur van de ontzetting van het recht op uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein;
- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;
- vermindert de duur van de ontzetting van het recht op uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein in die zin dat deze acht jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 maart 2026.